Ik zou willen dat mijn broer Quim bij ons kwam wonen, zei Victor tegen Dália, ik vind het maar niks dat hij opgroeit in dat donkere hol daar, duisternis gaat in je zitten, trekt door je lijf tot je hele ziel zwart is, net als vocht, vocht vreet aan dingen, aan kleren, aan muren, aan hout, zelfs staal wordt aangevreten door vocht, het roest en het rot, ik wil niet dat mijn broer wegrot net als mijn vader, vastgeroest aan een huis, wachtend op de dood, met een lichaam in staat van ontbinding en een hart zo duister dat het zelfs zijn eigen zoon niet kan vergeven, en Dália in haar schrift, wat heb je gedaan dat vergeven moet worden?, hij begreep de vraag zelfs zonder alle woorden te begrijpen, ik heb iets gestolen en daarom hebben ze me opgepakt, ik heb mijn vader te schande gemaakt, nu weet je alles wat je moet weten over mij. Gestolen? vroeg Dália in haar schrift, hij spelde het woord en begreep wat ze vroeg, ja, antwoordde hij, waarom heb je gestolen?, en hij, ik heb aardappelen gestolen en brood omdat ik honger had, en zij, nu weet ik inderdaad alles wat ik moet weten over jou, wie steelt omdat hij honger heeft, heeft geen gebrek aan vergiffenis maar aan eten, het is je vader die zich zou moeten schamen, hij begreep niks van al die woorden, dus vatte zij ze samen met een simpel ‘huh’, en verstrengeld in elkaars armen vielen ze in slaap.
Je vader heeft tijd nodig, zei zijn moeder, maar zijn vader had geen tijd, tijd was hun beider vijand, van de een omdat hij er weinig van had, van de ander omdat hij er veel van had, een heel leven om die last te dragen, het is de zoon van Tirapicos die daar wegrent, een zak aardappelen en een brood, tenzij hij spoedig doodgaat zal hij dat gewicht nog jarenlang met zich meezeulen, een heel leven is lang, zijn vader had geen tijd nodig, wat zijn vader nodig had was liefde voor zijn zoon, om hem te kunnen vergeven, maar een vader is niet op de wereld om zijn kinderen lief te hebben, een vader is op de wereld om ze op te voeden, om ze te leren gehoorzamen en er mannen van te maken, om ze te zien marcheren in de Mocidade Portuguesa*, trots en gehoorzaam, arm maar eervol en met hun borst vooruit, maar stelen? dat nooit, als het aan hem lag zat Victor nog steeds in de bak, het interesseert me geen fluit dat hij mijn zoon is, zei hij tegen iedereen die het kon en wilde horen. Maar de zoon van Manel Cheirinho nam de benen om niet in dienst te hoeven en toch hield zijn vader nog steeds van hem, dat is pas een schande, veertien mille in je zak steken waarvan niemand wist waar ze vandaan kwamen en dan bij Elvas de grens overgaan, hij en nog twee jongens uit Alcântara, ze wilden niets te maken hebben met de overzeese gebieden, ze wilden niet gedwongen worden om een G3 te richten, de trekker over te halen en toe te kijken hoe een jongen van hun eigen leeftijd vlak voor hun neus overhoop werd geschoten, of om blindelings op de struiken te schieten net als alle anderen zodat je nooit hoefde te weten hoeveel mensen je had gedood, een wapen oppakken in plaats van een zak cement dat is pas laf, liever een metselaar in Frankrijk dan een soldaat in Angola of Guinee. Dood de zwarten, maak ze allemaal dood, doe het lekker zelf, want ik wil niets te maken hebben met jullie oorlogen, ik ken geen enkele zwarte, ik heb niets tegen hen, vaarwel vader, en weg was hij, verdwenen in een donkere nacht, duisternis is immers niet altijd slecht, soms beschermt ze ons juist, net als de zoon van Manel, die ervandoor ging naar Frankrijk terwijl Josué en Carlitos hier bleven en hem een flikker noemden en een lafbek en een schijtlijster, en meer van dat soort dingen, maar geen van hen stond op om een wapen te grijpen en zwarten te gaan vermoorden, dood de zwarten, maak ze allemaal dood, doe het lekker zelf, want wij hebben wel wat anders te doen. En toch ging Manel Cheirinho niet in een bed liggen wegkwijnen, en toch scheet hij zichzelf niet onder en wilde hij niet dat zijn zoon in de bak bleef zitten. Ouders zijn niet allemaal hetzelfde.
(* Salazaristische jeugdbeweging naar het voorbeeld van de Hitlerjugend)
Uit: Pés de barro (Leya, 2025)
Pés de barro (‘Lemen voeten’) is de debuutroman van Nuno Duarte (Sintra, 1973), die in 2024 werd bekroond met de Prémio Leya. Het boek gaat over de bouw van de Ponte 25 de Abril (voorheen Ponte Salazar), de hangbrug over de Taag in Lissabon, tijdens het dictatoriale regime onder leiding van António de Oliveira Salazar (1933-1974). We volgen het bouwproces door de ogen van Victor Tirapicos, een jonge metaalbewerker die de brug helpt bouwen terwijl hij voor zijn ogen jonge dienstplichtigen ziet vertrekken naar de koloniale oorlog in Afrika.
Wil je meer weten over dit boek? Een leesimpressie vind je hier. Andere fragmenten uit dit boek kun je hier lezen.
