
Een boek over een aloud thema: liefde en rivaliteit tussen broers, maar met een bijzondere twist.
O meu irmão (‘Mijn broer’)
Afonso Reis Cabral
Leya, 2014
ISBN 978 989 660 344 1
365 blz.
O Meu Irmão is de debuutroman van Afonso Reis Cabral (1990). Hij won er in 2014 op jonge leeftijd de Prémio Leya mee, een prijs voor nog ongepubliceerde manuscripten. Het is een boek over de relatie tussen twee broers van wie de jongste het syndroom van Down heeft. Vanuit het perspectief van de oudere broer wordt een ontroerend, maar tegelijkertijd meedogenloos, beeld geschetst van hoe het is om op te groeien met een gehandicapt familielid. Onderwerpen als jaloezie binnen het gezin (het boek opent niet voor niks met een citaat afkomstig uit het gedicht Abel et Caïn van Baudelaire) en de liefde tussen mensen met een beperking worden op aangrijpende wijze beschreven. De sympathie die je als lezer aanvankelijk voelt voor de oudere broer vermindert gaandeweg en verdwijnt volledig wanneer het verhaal een dramatische wending neemt.
Het verhaal
Na de dood van zijn ouders besluit een gescheiden universitair docent (de ik-persoon in dit boek en het enige personage zonder naam) de zorg voor zijn veertigjarige broer Miguel, die geboren is met het syndroom van Down, op zich te nemen. Hij hoopt daarmee niet alleen wat kleur te geven aan zijn fletse leven, maar ook het schuldgevoel over zijn jarenlange afwezigheid weg te nemen. Sinds zijn studietijd in Lissabon en latere loopbaan aan de universiteit aldaar heeft hij immers nauwelijks contact gehad met zijn familie in Porto. Hij is slechts een jaar ouder dan Miguel en is samen met hem opgegroeid in een gezin met vier oudere zussen. Om voor zijn broer te kunnen zorgen, verhuist hij van Lissabon terug naar zijn geboortestad Porto.
Plaats van handeling is het familiehuis in een afgelegen dorp op het Portugese platteland, waar de broers samen een lang weekend doorbrengen. Daar blikt de oudere broer, een zure en verbitterde man, terug op alles wat daarvoor is gebeurd, o.a. op hun gezamenlijke jeugd en over hoe hij het destijds als kind heeft ervaren om een gehandicapte broer te hebben.
De scènes in het familiehuis en de ontmoetingen met de buren – het echtpaar Aníbal en Olinda en hun ziekelijke zoon Quim – worden afgewisseld met flashbacks uit hun beider jeugd.
Miguel gaat sinds zijn tiende naar een dagverblijf voor mensen met een beperking. Daar leert hij Luciana kennen, op wie hij smoorverliefd wordt. Die verliefdheid veroorzaakt een hoop commotie, zowel thuis als op het dagverblijf. Zodra de oudere broer gaat studeren in Lissabon, komt hij nog maar zelden thuis, tot groot verdriet van zijn moeder. Hij wil duidelijk afstand nemen van het gezin waarin – naar zijn mening – te veel aandacht uitgaat naar zijn gehandicapte broer.
Aan de hand van allerlei voorvallen worden de verhoudingen binnen het gezin beschreven, van de dagelijkse gang van zaken thuis en de weekenden in het buitenhuis tot de dood van beide ouders en de wijze waarop iedereen, en met name Miguel, daarmee omgaat. Hij lijkt zich nog meer op te sluiten in zijn eigen wereldje met Luciana, tot grote ergernis van zijn jaloerse broer, bij wie hij inmiddels woont. Wanneer tijdens een korte onderbreking van de relatie tussen Miguel en Luciana blijkt hoe anders Miguel zich gedraagt wanneer het meisje uit beeld is, besluit zijn broer hem van het dagverblijf te halen.
De gevolgen zijn desastreus: de relatie met Miguel, die sterk vermagert en gedeprimeerd op de bank ligt, wordt alleen maar slechter. Op een dag neemt hij de benen. Zijn broer is in alle staten en zoekt stad en land af, totdat hij na een telefoontje van de directrice van het dagverblijf het vermoeden krijgt dat Miguel en Luciana er samen vandoor zijn gegaan. Hij ontdekt hun schuilplaats en probeert hen mee naar huis te krijgen. Dat lukt niet en er ontstaat een akelige vechtpartij waarbij Luciana buiten bewustzijn raakt. Dan neemt het verhaal een verrassende en shockerende wending…
Het boek is geschreven vanuit het perspectief van de oudere broer, de ik-persoon. Beschrijvende passages worden afgewisseld met dialogen. De tekst wordt veelvuldig onderbroken door relativerende of rectificerende opmerkingen van de verteller (in het boek in een kleiner lettertype), die als het ware ‘inzoomt’ op zijn eigen relaas.
Vermeldenswaardig is wellicht ook dat de schrijver zelf een broer met Down-syndroom heeft. In interviews benadrukt hij echter steeds dat er geen enkele overeenkomst is tussen hemzelf en zijn hoofdpersonage: “Ik wilde dat alles anders was, als iemand die op zoek is naar een alternatief bestaan, naar een totaal tegenovergestelde situatie, om te zien hoe het is om Kaïn te zijn als je Abel bent, of omgekeerd.”
De schrijver
Afonso Reis Cabral (Lissabon, 1990) is de achter-achterkleinzoon van Eça de Queiróz, een van Portugals grootste schrijvers, en inmiddels zelf een gevierd auteur. Meer over hem lees je hier.
Een fragment uit dit boek vind je hier.
In de pers
“Het boek waarmee Afonso Reis Cabral de Leya-prijs heeft gewonnen, is geen vrolijk boek. Maar het is juist in de beschrijving van de meest duistere scènes dat de auteur het beste blijkt geeft van zijn door de jury onderkende literaire talent.”
(Isabel Lucas in O Público, 14.11.2014)
