Maar in Portugal heb je kersen. Grote, glimmende kersen die de meisjes als oorbellen aan hun oren hangen. Mooie meisjes, zoals alleen meisjes uit Portugal mooi kunnen zijn. De meisjes van hier weten niks van kersen, ze zeggen dat die op pitanga’s lijken. Maar ook al is dat waar, ik heb hier nog nooit meisjes met oorbellen van pitanga’s gezien die net zo naar elkaar lachen als de meisjes uit Portugal doen op de foto’s.
Ma zegt opnieuw tegen pa dat hij vlees moet opscheppen. Het eten bederft, zegt ze, die hitte maakt alles kapot, binnen een paar uur is het vlees groen, maar als ik het in de koelkast leg, wordt het zo droog als karton. Ma praat alsof we vanavond niet op het vliegtuig naar Portugal stappen, alsof we het overgebleven vlees morgen op ons brood kunnen doen voor in de middagpauze op school. Laat me met rust, mens. Als hij de schaal met vlees wegduwt, stoot pa het broodmandje om. Ma zet het overeind en legt de stukjes brood even zorgvuldig recht als ze ’s morgens haar pillen netjes op een rij legt voordat ze die inneemt. Pa was niet zo voordat dit allemaal begon. Met ‘dit’ bedoel ik de schoten die je in de wijk iets verderop hoort. En onze vier koffers die open in de kamer staan.
Er valt zo’n plechtige stilte dat het geluid van de ventilator abnormaal hard klinkt. Ma pakt de schaal met vlees en schept haar bord vol met de afgemeten gebaren van vroeger als we bezoek hadden. Als ze de schaal neerzet, laat ze haar hand even rusten op het tafellaken met de dahlia’s. Nu is er niemand meer om op bezoek te komen, maar ook voordat dit allemaal begon kregen we maar zelden bezoek. Mijn zus zegt, ik weet nog goed dat die ene haan, de porseleinen haan op het marmeren aanrechtblad, dat die op de grond viel en een stuk van zijn kam verloor. We hebben het over zulke pietluttige dingen omdat we al begonnen zijn te vergeten. En we zijn nog niet eens vertrokken. Het vliegtuig vertrekt kort voor middernacht, maar we moeten eerder weg. Oom Zé brengt ons naar het vliegveld. Pa komt later. Als hij Pirata doodgemaakt heeft en het huis en de vrachtwagens in brand heeft gestoken. Ik geloof niet dat pa Pirata gaat doodmaken. En ik geloof ook niet dat pa ons huis en de vrachtwagens in brand gaat steken. Ik denk dat hij dat zegt om ons niet te laten denken dat zij zich rot lachen. Zij dat zijn de zwarten. Maar pa heeft wel blikken benzine gekocht die in het schuurtje staan. Misschien is het toch waar, misschien gaat pa toch Pirata doodmaken en alles in de fik steken. Pirata zou best bij oom Zé kunnen blijven, want die gaat niet weg omdat hij de zwarten wil helpen bij de opbouw van hun land. Pa lacht altijd als oom Zé het heeft over het grandioze land dat er komt door de wil van een volk dat vijf eeuwen lang onderdrukt is. Zelfs als oom Zé zou beloven dat hij voor Pirata zal zorgen, zou hij daar niks aan hebben, want pa vindt dat het enige wat oom Zé kan, de familie te schande maken is. En hij zou best wel eens gelijk kunnen hebben.

[…]

Toen het schieten begon, nam pa zelden nog cadeautjes mee van de boten, maar als hij hier is wordt alles weer zoals vroeger, op een dag verschijnt pa hier in het hotel met allemaal pakjes zoals die keer dat hij een Mickey Mouse meebracht die kon dansen en Amerikaanse walkietalkies. Gegé en Lee hadden ook walkietalkies maar die van mij waren de echte, die ook door spionnen worden gebruikt. Pa zorgde altijd voor ons, op een dag staat hij hier voor onze neus en gaat hij weer voor ons zorgen, pa laat niet toe dat mij hetzelfde overkomt als Hilário, dat ma net zo wordt als Dona Eugénia, pa weet immers dat ma ziek is in haar hoofd en dat ze zich niet laat behandelen, niets of niemand kan het hoofd van ma beter maken en alle andere dingen al helemaal niet. Dozen vol pillen in de prullenbak, ik kan er niet van slapen, ik word er misselijk van, ze maken me duizelig, zelfs meneer Antunes van de apotheek vond het zonde, wat een geldverspilling, ik kan het niet aanzien, meneer Antunes is vast ook naar Portugal gekomen, op een dag komen we hem misschien wel tegen in een of andere apotheek, meneer Antunes met zijn witte jas en zijn bril aan een zilveren ketting en dan zegt hij hetzelfde als daar, het zijn allemaal zenuwen, zenuwziekten zijn moeilijk te genezen.
Ma legt haar vork neer om aan te geven dat ze klaar is met eten. Vroeger lag de zak met pillen altijd op het aanrecht en ma had de gewoonte om voor het eten de pillen die ze ging innemen netjes op een rij naast haar bord te leggen. Nu is er niets meer, geen zak, geen aanrecht, geen keuken en ma doet waar ze zin in heeft. Omdat de tafels heel dicht tegen elkaar staan vraag ik zachtjes aan ma waar haar pillen zijn, hier heb ik geen pillen nodig, zegt ze hardop, het was een gezegend land daar maar ik had er het lijf niet voor. Ma heeft altijd met één voet in Portugal gestaan, waar ze is geboren en geen last heeft van allerlei dingen, ook niet van zenuwaanvallen, en met de andere voet in dat gezegende land waaraan haar lijf nooit gewend is geraakt vanwege het klimaat dat erg moeilijk te verdragen is voor wie er niet is opgegroeid. Ma praat zoals ze vroeger tegen het bezoek praatte, een gezegend land, de vrouw aan de tafel links van ons knikt instemmend, je hoefde maar een mangopit op de grond te laten vallen of de volgende dag groeide er een mangoboom uit, haar man valt haar bij, een land vol rijkdommen, koffie, katoen, diamant, olie. Hun kinderen net zo zwijgzaam als mijn zus en ik. Een land van overvloed waar nooit honger zal zijn, o jawel, zegt de man aan de tafel rechts van ons, die lui kunnen de boel niet besturen, ze gaan daar zoveel honger lijden dat er meer doden vallen dan door de gevechten, zonder de blanken daar gaan die idioten elkaar afmaken, de man aan de tafel rechts van hem, wie het onderste uit de kan wil krijgt het deksel op zijn neus. Ma lacht, alleen pa met zijn glas Ye Monks ontbreekt nog, anders leek het net alsof we bezoek hadden, ook al zijn we niet thuis, ook al komt er een bediende op ons af met een chagrijnig gezicht die zegt dat we de tafel vrij moeten maken omdat er een rij staat tot aan de lift. En ma nog steeds met haar stem-voor-het-bezoek mijn man komt er vast zo aan.

Uit: O Retorno (Tinta-da-China, 2013)

Pas na drie romans, die allemaal enthousiast werden onthaald, schreef Dulce Maria Cardoso (1964) het boek dat ze al heel lang wilde – nee, móest – schrijven: O Retorno (‘De terugkeer’), over de half miljoen Portugezen die in 1975 na de onafhankelijkheid van de Portugese koloniën halsoverkop terugkeerden naar het ‘moederland’ en daar bij gebrek aan woonruimte in overvolle hotels werden gepropt, waar ze hun onzekere lot moesten afwachten terwijl ze met de nek werden aangekeken door de plaatselijke bevolking. Dulce Maria Cardoso was één van hen. Bij monde van de vijftienjarige Rui vertelt ze in een overrompelende gedachtenstroom het aangrijpende verhaal van mensen die alles kwijtgeraakt zijn en een nieuw bestaan moeten opbouwen in een thuisland dat geen thuis is.

Wil je meer weten over dit boek? Een leesverslag vind je hier.

Ontdek meer van De melodie en het geluid

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder